Pepptalx

Denkbeeldige kampvuren voor jongeren.

Gloed van 
Filosofie. Kunst. Wetenschap.

 




Il faut cultiver notre jardin Speakers



Wij streven naar een goed leven. En zoals het zaadje boom wordt door goed te doen wat het zelf het beste doet, namelijk water drinken en groeien, zo wordt ook de mens gelukkig als hij zich richt op zijn eigen taken. De gelukkige mens is de mens die goed is in mens zijn. Aristoteles noemt dit de voortreffelijke mens. Om een voortreffelijk mens te worden, hebben we een voortreffelijk karakter nodig. Vandaaruit gaan we voortreffelijk handelen, verrichten we goede daden. Om goed te doen, moeten we dus goed zíjn. Om gelukkig te zijn, moeten we voortreffelijk leven. Welke waarden helpen ons voortreffelijk te worden? Moeten we die waarden oefenen? Wie helpen ons daarbij? Waar ligt de grens tussen recht en onrecht, dapper en laf, tussen geluk en ongeluk? Kunnen we onze goedheid kwijt raken?
Tol Swinkels verkent met ons de kwetsbaarheid van het goede; de vrijheid en belemmering van een voortreffelijk leven.

Voltaire wordt vaak afgebeeld met pretoogjes. Deze meesterlijk denker en scherpzinnig observator aanschouwt de wereld met humor en ironie. Hij doorziet ons. Met 'Candide of Het optimisme' (1759) portretteert hij niet alleen zijn eigen tijd als een vrijwel hopeloos geloof in eigen kunnen, maar geeft hij ook een blauwdruk van latere tijden, en de onze. De jonge Candide denkt dat hij in 'de best mogelijke wereld' leeft. Het is hem wijs gemaakt door zijn leermeesters. Maar al snel beseft Candide dat de mens het niet kan waarmaken om een 'best mogelijke wereld' te creëren. Candide ziet niets dan ellende om zich heen: moord, diefstal, onderdrukking, fundamentalisme, manipulatie en uitbuiting. En, vooral domheid en vluchtigheid. We falen in elk opzicht. Maar als we onze tuin bewerken, onze geest voortdurend aanscherpen doorzien we morele en economische scheefgroei, en houden we een scherp oog voor rechtvaardigheid en wijsheid. René van Stipriaan vertelt over satire en ironie als noodzakelijk middel.  

Waarom is een wethouder corrupt? Waarom schendt een Tweede Kamerlid de integriteitsregels? Waarom speculeert een directeur van een woningcoöperatie met overheidsgeld? Waarom verrijkt een bankier zich met hoge bonussen? Volgens filosofen als Kant is zelfrespect een heel belangrijke zaak om te ontwikkelen. Zelfrespect is eigenlijk het enige wat helpt tegen de neiging van mensen om tegen zichzelf te liegen (en dan immoreel te handelen). Aan de hand van een actuele casus stelt Wim Dubbink twee thema's centraal: zelf-ontwikkeling en zelf-verbetering als een cruciale morele eis, die voorkomt in christelijk denken, humanisme en boeddhisme. Wat is eigenlijk zelfverbetering? Vinden jonge mensen dat ook een plicht of meer iets dat je kan doen? Hoezo is dit in de filosofische traditie een plicht dan? Wat zijn zaken die het meest in het oog springen als het om zelfverbetering gaat? Ook spreekt hij met ons over morele excuses en zelfbedrog; hoe belangrijk die zijn bij het ontstaan van immoreel gedrag.

Het verbeteren van onze gezondheid, maar ook duurzaam gedrag, socialer zijn, en ons geld beter besteden worden steeds meer door apps aangestuurd. Technologiebedrijven bedienen ons op onze wenken, maar op de achtergrond sturen ze ons gedrag meer dan we in de gaten hebben. "De apps vormen samen een soort van zesde zintuig dat inzicht geeft in dingen waar je normaal gesproken geen weet van hebt", zegt Jelte Timmer. Het positieve gevolg hiervan is bewustwording van je leven en lijf. Maar Apps kunnen tussen jou en je gevoel in komen te staan. Neem onze relaties: die komen steeds vaker tot stand via dating sites. Die sites bepalen niet alleen hoe wij naar de kwaliteiten van anderen kijken, maar via hun slimme software gaan ze zich ook met ons gedrag bemoeien. Twee kunstenaars brachten de app US+ uit voor Google Hangout – een soort Skype maar dan van Google – de app monitort je videogesprek en vertelt je of je een goede gesprekspartner bent. Door je spraak en je gezichtsexpressie te analyseren wordt gemeten of je agressief overkomt, of dat het misschien eens tijd wordt om je mond te houden en de ander aan het woord te laten. Hoe gaan we daarmee om? Willen we wel tot in detail geanalyseerd en aangemoedigd worden? Is een gesprek dan nog gewoon een gesprek zonder dat het een prestatie is die verbeterd kan worden, en waar sociale credits mee te verdienen zijn? Is een date nog gewoon een date? Technologie ‘weet’ niet alleen meer over ons, maar krijgt ook meer over ons te zeggen.

In alle culturen vertolkt de dood het enige definitieve aan het leven. Al het andere kan door toevoegen of wegnemen worden veranderd, maar de dood vormt een grens waarvoor het menselijke verstand blijft stilstaan. Alleen de intuïtie, de hoop en het geloof dat er voorbij het leven nog iets moet zijn, kunnen het wagen verder te gaan. Een van de eerste en meest toegepaste middelen die de mens heeft bedacht om de grens van de dood te overschrijden, is de dood zelf geweest, middels de opoffering. Vaak is dat een vrijwillig offer, dat hetzij als bode naar de goden werd gezonden, hetzij als prijs werd betaald voor een gunst die men van de goden hoopte te verwerven. Een andere vorm van opoffering is die van de Messias, de man die zich offert voor de bevrijding van zijn volk.
Chris Reutelingsperger neemt ons mee naar het offer op microniveau: per seconde sterven ongeveer een miljoen cellen door actieve celdood. De cel pleegt zelfmoord en offert zich op in het belang van het multicellulaire organisme. Een voorbeeld van opoffering zien we als een cel door een virus geïnfecteerd raakt. De cel kan dan besluiten zelfmoord te plegen zodat het virus niet wordt vermenigvuldigd. Met deze zelfmoordactie beschermt de cel zijn buurcellen voor virusinfectie. Celdood kan dus vergeleken worden met de meest onbaatzuchtige vorm van altruïsme in een sociale context.  

Niets in en uit de tuin hoeft te worden weggegooid: via de organische kringloop wordt elk dood takje een levende bloem. De kringloopgedachte is oeroud. In alle mythes over het ontstaan van de wereld lezen we over verwoesting van de schepping door natuurrampen, ziektes, monsters en oorlogen. Die vernietiging moet plaatsvinden voordat teruggekeerd kan worden naar een nieuw begin. Zo ontkwam Noach aan de allesverwoestende zondvloed. Hij mocht van alle diersoorten een mannetje en vrouwtje meenemen, waarop de schepping opnieuw kon beginnen. Kern van deze theorie is het geloof in de ‘volmaaktheid van het begin’. De wereld blijft zich herscheppen, er is sprake van een eeuwige kringloop.
Wij maken ons in de 21e eeuw op voor een nieuw begin: welvaart en rijkdom dreigen om te slaan in vernietiging door uitputting van de aarde. Arjanna van der Plas spreekt over de kansen van de kringloopgedachte in de economie. Ons huidige economische systeem is vooral lineair: grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. Circulaire economie is een concept waarin groei en welvaart ontkoppeld worden van het verbruiken van natuurlijke grondstoffen en ecosystemen. Producten en materialen worden hergebruikt en grondstoffen behouden hun waarde. Dat betekent: meer ketensamenwerking, innovatie, minder grondstoffenverbruik en minder afval. 

De abdij OLV van Koningshoeven is, zoals zovele kloosters, gebouwd in een vierkant met in het midden een lege ruimte: de binnentuin. Dit werd overgenomen van de bouwstijl van de grotere Romeinse Villa’s. Deze manier van bouwen bood veel comfort. De kamers konden uitzien op een rustige binnentuin, terwijl het straatverkeer en het kabaal van de stoffige straat buitengesloten werden. Water in een vijver of een fontein gaf de sensatie van koelte in de vaak hete streken. De bouwkundige situatie van het klooster kreeg ook een godsdienstige tekenwaarde, een religieuze interpretatie. Het centrum van het klooster is namelijk de lege, open ruimte van de binnentuin! Alles in het klooster vindt plaats rond de lege ruimte, of de ruime leegte. Spiritueel gezien kan dit aangeven dat de mensen, die een klooster bewonen of bezoeken, op zoek zijn naar de/het grote onbekende en niet-ingevulde.
De vier paden die het vierkante grondplan van de tuin doorkruisen, verwijzen naar de vier rivieren die in het Hof van Eden ontspringen: de Pison, de Gichon, de Tigris en de Eufraat. In het midden van de tuin treffen we water aan in de vorm van vijvers of fonteinen. Dit levende water verwijst naar het centrum van het centrum: God zelf. Abt Bernardus vertelt over vier stromen of te wel vier bronnen die voor hem bronnen van kracht zijn om als abt leiding te geven aan de gemeenschap van monniken. Hij laat ze beginnen met de letter V. In het Latijn de beginletter van ‘Virtus’, d.w.z. ‘kracht’. Zijn krachtbronnen voor spiritueel leiderschap zijn: Vrede, Vreugde, Vertrouwen en Vriendschap.

Anthony Heidweiller: 'Ik wil laten laten zien dat zingen van, voor iedereen is. Mensen zeggen tegenwoordig bijna trots dat ze ‘niet kunnen zingen’. Dat is gevaarlijke onzin. Zingen hoort bij de mens, iedereen kan het. Als zingen niet meer vanzelfsprekend is, zie ik het somber in voor deugden als oprechtheid, authenticiteit en eerlijkheid.'
'Juist nu, in onze gejaagde maatschappij waarin geld verdienen het hoogste goed is en solidariteit tussen mensen niet meer vanzelfsprekend. Juist in ons land, waar het uitdragen van de tolerantie die we altijd meenden te bezitten, tot een zeldzaamheid is verworden. (...) Dáárom moeten we zingen, om gezamenlijk te voelen dat het er niet toe doet hoeveel je verdient, wat voor kleur je hebt of wat voor gedachten je hoofd bevolken.'
'We leven in een tijd waarin muziek vaak vooral passief beleefd wordt. We luisteren naar de radio, gaan misschien naar concerten… Maar met elkaar muziek maken in het dagelijks leven, daarvan zijn we vergeten hoe het moet. Wat mij betreft gaat het vooral over het terugbrengen van actief muziekmaken in het dagelijks leven. Muziek hoort niet alleen op een podium en zingen is niet alleen voor mensen die ervoor hebben gestudeerd. Muziek is iets wat je samen kunt beleven.'
'Ik zing veel liever voor kinderen dan voor volwassenen, omdat een jong publiek je dwingt om stil te staan bij de vraag waarom je zingt. Ik kan niet denken 'ik zing prachtig en dat is genoeg.'